Kerstverhaal van Susanne Gondrie: Teveel genie | Groeiend Best


Foto: Pixabay

Kerstverhaal van Susanne Gondrie: Teveel genie

Teveel genie

Piep, zegt de kerkdeur. Hij duwt door. Krakend en zuchtend gaat de deur open. Hij pakt zijn tas met muziekboeken en gaat naar binnen. Achter hem kreunt de deur en valt met een bons dicht.

Hij zucht en loopt de wenteltrap op. Ook die kraakt en hij zucht nog maar eens mee. En de orgelbank zucht wanneer hij erop gaat zitten. Beneden hem is de lege kerk, donker, stoffig, met een zweem van wierook, alleen in de verte is één rood lichtje te zien.

Stof en gekraak, denkt hij en zet de muziekboeken op het orgel. Lampje aan. Hij klapt een boek open en kijkt naar de naam. Johann Sebastian Bach. Hij zucht en trekt een paar registers open. Stof wolkt op. Bach was een genie, weet hij, maar hij is hem intussen zo zat.

Hij kijkt naar de muur naast het orgel, daar hangt een oud schilderijtje: een engel die op een harp speelt. Het is primitief en een beetje klungelig geschilderd: veel te lange vingers, roze wangen, vleugels, blonde krullen.

“Aan jou heb ik ook niks”, zegt hij en begint lamlendig aan een fuga van Bach.

Kerstmis, denkt hij, altijd hetzelfde. Hij mag orgel spelen, elke zondag en zeker in de Nachtmis. Jaar in jaar uit. In het begin was hij er blij mee, het leven van een musicus is geen vetpot en een vaste post als kerkorganist is dan mooi meegenomen, maar nu voelt het niet meer als mooi. Elk jaar komt de pastoor een keertje kijken om het kerstrepertoire te bespreken.

Hij kan het dromen, erger nog, hij droomt ervan. Elk jaar stelt hij eens iets anders voor, iets moderner, maar bij de pastoor zit er geen beweging in.

Met een zucht rammelt hij de laatste maten Johann Sebastian eruit.

Onwrikbaar is die man. Tot nu toe.

“Bach”, zegt de pastoor elk jaar steeds plechtig, vouwt zijn handen en sluit zijn ogen half. Dan een pauze. “Bach was een genie, zijn muziek is onvergankelijk, laat ons die dan ook horen in de heilige Kerstnacht.” Punt uit.

Waarom is hij dit jaar eigenlijk zo dwars en kwaad? Hij weet het niet.

Hij kijkt naar het schilderijtje, maar de engel is weg, alleen de harp staat er nog. Hij fronst en kijkt nog eens.

“Hier, andere kant”, zegt een stem. Links van hem leunt de engel tegen de muur aan. Hij draagt een zwarte hoodie, een spijkerbroek en sneakers. Geen vleugels te zien.

“Ik dacht, ik kom er maar eens bij”, zegt de engel, “je zag er zo ongelukkig uit en die fuga heb je net echt verknoeid.” De organist kijkt alleen.
“Niet dat ik nou zo weg ben van Bach hoor”, gaat de engel verder, “op z’n tijd prima, maar teveel genie is niet te verteren.”

De organist kan alleen knikken en wijst naar het schilderijtje.

“Hee zeg, ik ben een engel hè, dus een wondertje af en toe is geen punt.”

Ik heb toch niks raars gesnoven of gerookt of geslikt, denkt de organist, niks gedronken, vanmiddag alleen een paar boterhammen gegeten.

“Speel je nou nog iets leuks? Anders pak ik m’n eigen playlist” en de engel haalt een IPhone uit zijn broekzak.

Misschien zit er iets in de lucht. Je leest in de krant soms van die rare dingen over chemische bedrijven.

Hij legt zijn handen op de toetsen, trekt bijna alle registers open en dan begint diep in hem iets te bruisen, iets als champagne, een gevoel dat er uit wil. De linkerhand begint met een snelle baspartij, de rechterhand speelt er tegenin, volgt het schema van een boogiewoogie, hij gaat door naar een rock ‘n roll nummer, het galmt door de kerk en hij zingt mee, goed hard.

“Dat bedoel ik”, roept de engel er bovenuit en hij stampt mee op de maat, de houten vloer trilt.

“Wat! Is! Dit!” schreeuwt een woedende stem. Hij verstijft op de orgelbank, handen boven de toetsen, de laatste akkoorden galmen nog even na. Het bruisende gevoel is op slag weg.

Naast hem staat de pastoor: een lange, magere figuur, zwart pak, zwart hemd, wit boord. Hij is razend.
De organist zoekt de engel, maar die zit weer braaf en primitief achter z’n harp.

De pastoor kucht. “Ik kwam hier, zoals afgesproken, om met u het kerstrepertoire te bespreken voor de nachtmis. Ik nam aan dat u bezig was in te spelen, iets plechtigs, iets in de kerstsfeer. Iets van Bach misschien. En dan confronteert u mij hiermee?”

De pastoor kijkt of hij iets viezigs ziet en ruikt.

“Ik dacht, ik test het orgel even”, probeert hij, “gewoon, of het goed gestemd is en het nog goed werkt. En zo. Dat dus.”

“Ik ga ervan uit dat dit eens maar nooit meer was”, zegt de pastoor, “anders zullen wij helaas afscheid van elkaar moeten nemen.”

Even lijkt hem dit een fijn idee, maar dan denkt hij: hypotheek, verzekeringen, energie, inkomen.

“Het zal niet meer gebeuren”, zegt hij braaf en heeft een hekel aan zichzelf.

Hij kijkt links naar de engel.

“Laffe zak, kun je wel?” denkt hij.

“Dan zullen we het maar niet meer over dit incident hebben”, zegt de pastoor. “Goed, de nachtmis dus.”

Hij vouwt zijn handen en sluit zijn ogen half. Zijn mondhoeken bewegen een beetje omhoog.

“Laten wij dit jaar beginnen met Transeamus.”

Zucht, denkt de organist, pakt een pen en krast “Transeamus” op een papiertje in zijn orgelboek.

“En dan daarna een cantate van Bach. De keuze laat ik graag aan u over.” Het lachje wordt breder.

“Misschien kan ik dit jaar eens iets anders spelen?” probeert de organist, “er zijn ook mooie eigentijdse kerstliedjes.”

“Eigentijds? Gezien wat ik daarnet hoorde, vrees ik het ergste bij “eigentijds”. Bij nader inzien lijkt het mij beter dat ík beslis over het repertoire van de nachtmis.”

Dat doe je altijd al, denkt de organist. De engel zit achter zijn harp, het bruisende gevoel is weg en de organist schrijft gehoorzaam: Bach, Händel, Stille Nacht, Bach.”

“Fijn dat we het zo eens zijn”, zegt de pastoor. De glimlach is een zelfvoldane lach geworden.

“Dan zie ik u voor de nachtmis. Ruim op tijd hè, denk eraan.”

De magere zwarte gestalte loopt naar de trap.

De organist loopt van de kerk rechtstreeks een café binnen, naar de bar.
“Doe maar een borrel.”

“Kijk eens”.

Hij leegt het glaasje in een teug.

“Nog maar eentje.”

Hij wordt wat warmer, maar de bruis blijft weg.

“Problemen?” vraagt de barman en zet weer een glaasje neer.

“Gezanik op m’n werk.”

De barman poetst glazen.

“Wat doe je voor werk?”

“Pianist, her en der, lessen en op z’n tijd ook organist.”

“Toevallig zoek ik een pianist.” De barman wijst naar een piano achterin het café.

“Mijn vaste man is verhuisd, ik kan maar geen nieuwe vinden.”

“Oh?”

“Je weet wel, voor ’s avonds, boogiewoogie, wat rustige jazz, dat werk. Speel jij dat?”

De organist gaat achter de piano zitten en tilt de klep op. De linkerhand begint het schema van een boogiewoogie te spelen, de rechterhand valt in. Leuk, maar voor hem bruist het niet.

“Klinkt goed”, zegt de barman, “denk je erover na? Ik zou je graag aannemen.”

Hij sluit de klep. “Ik kijk wel.”

Hij betaalt, trekt zijn jas aan en loopt naar de deur.

“Hee pianoman, je tas!”

“Dank je”, hij pakt de tas en vertrekt.

Kerstavond. De kerk is versierd, kaarsen branden, het licht is aan en de banken zitten vol.

De organist zit in pak, met stropdas op zijn bank en speelt. Transeamus, check, cantate en fuga van het genie Bach, check, Händel, check, zucht. Hij speelt een paar variaties op Stille Nacht. De pastoor aan het altaar kijkt vroom omhoog.

Stille nacht, heilige nacht preludeert hij.

“Beetje voorspelbaar, dat dan weer wel”, klinkt het links van hem.
Nee hè! Daar staat die engel weer, zwarte hoodie, spijkerbroek, sneakers en IPhone in z’n hand.

“Nou, leuk hoor”, zegt hij, “nu durf je wel hè? Maar vorige week heb je me in de steek gelaten. Lafaard.”

“Nee toch?” zegt de engel, “zo zie ik het niet. Trouwens..”, hij tikt op het scherm van zijn mobieltje, “speel nog maar even verder, ik zit net een kerstcadeautje voor je te bestellen.”

Tikketikketik. Stille nacht, het gaat maar door. “Zo, klaar, vanavond wordt het bezorgd.”

Het moet iets in de lucht zijn, dit is belachelijk denkt de organist en hij speelt een mooi eindakkoord. Net op tijd, de nachtmis is afgelopen en de pastoor wenst de hele kerk een zalig Kerstfeest.

“Krijgen we dan nu een knallend einde?” vraagt de engel vrolijk, “kom op joh, dit is je kans, nou kun je de boel eens goed laten swingen.”

Uit het niets komt weer dat bruisende gevoel. De organist gaat recht zitten, zijn linkerhand speelt een snelle baspartij en zijn rechterhand volgt met een boogiewoogie variatie op kling klokje klingeling, hij gaat door naar Joy to the world. De engel klapt en stampt mee op de maat. “Dat bedoel ik nou!” roept hij.

De organist lacht, hij verandert het ritme en begint met een rock ‘n roll versie van Jingle Bells, gevolgd door Jingle Bell rock, logisch toch? En als klap op de vuurpijl We wish you a merry Christmas, als afscheidsgroet aan de mensen in de kerk die stomverbaasd naar boven kijken.

“Het toppunt!” schreeuwt iemand naast hem. Hij hoeft niet te kijken, hij weet het al: de pastoor staat woedend naast de orgelbank. Hij kan het hem niet eens kwalijk nemen, het was een te grote overgang: van Bach naar boogiewoogie.

Het bruisende gevoel blijft, het wordt meer, het wil naar buiten.

De organist pakt zijn boeken, stopt die in zijn tas en kijkt de pastoor aan.

“Ik denk dat wij nu inderdaad helaas afscheid van elkaar moeten nemen”, zegt hij beleefd. “Ik wens u een zalig Kerstfeest” en waardig loopt hij de wenteltrap af. “En de groeten aan Bach!” roept hij nog.

Het café aan de overkant is verlicht en ziet er verwelkomend uit. Hij duwt de deur open, binnen is er geroezemoes en de tent zit goed vol.

“Hé pianoman!” roept de barman, “borrel?”

“Nee, biertje.”

“Waarom speel je niet eventjes?” vraagt hij, “gewoon voor de gezelligheid, ik betaal je voor de avond.”

De organist loopt naar de piano en gaat zitten. Zijn linkerhand begint een melodie in vijfkwartsmaat te spelen en zijn rechterhand valt in met een slepende beat.

“Hee, take five”, roepen een paar mensen in het café.

De barman zet een biertje bij hem neer.

“Klinkt prima pianoman”, zegt hij en tikt met zijn voet mee op de maat. Achter hem schijnt een lamp en de organist ziet hem in het tegenlicht staan. Even lijkt hij op de engel uit de kerk, maar dat kan natuurlijk niet.

Hij speelt door, het slepende ritme van take five.

Naast hem komt een man staan met een saxofoon.

“Ha pianoman”, zegt hij, “speel maar gewoon door, ik val wel ergens in.” En even later neemt de saxofoon de melodie over. Wanneer ze eindigen, applaudisseert het hele café.

“Hoe kom jij hier?” vraagt hij de saxofonist. Die wijst met zijn duim naar de barman. “Hij heeft me vanavond geappt en gevraagd of ik ook kwam spelen omdat hij een pianoman heeft gevonden.

Oké, denkt de organist, het is nu eenmaal een gekke avond, dit kan er ook wel bij.

“Speel nog eens iets”, vraagt de barman.

De saxofonist begint een paar maten te spelen. “Ken jij dit? Oud nummer, lover’s concerto.”

Hij speelt meteen de basakkoorden erbij en begint te lachen.

“Ken ik”, zegt hij, “is van Bach.”

De barman steekt z’n duim op. “Je bent aangenomen, pianoman!” roept hij.

En onder het ledlicht van de bar lijkt hij weer op de engel. Maar dat kan natuurlijk niet.

Susanne Gondrie

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden